Sacre du Printemps

Stravinsky

Stravinsky

Stravinsky schreef Le Sacre du Printemps tussen 1911 en 1913 in opdracht van Serge Diaghilev voor diens balletgezelschap ‘Ballets Russes’. De eerste uitvoering vond plaats in Parijs, in het ‘Théâtre des Champs Elysées’, op 29 mei 1913. Zodra het doek openging werd het publiek rumoerig, het lawaai zwol aan zodat van de muziek al gauw niets meer te horen was. Dirigent Pierre Monteux ging echter door met dirigeren, evenals choreograaf Vaslav Nijinsky, die op een hoge stoel was geklommen en zijn ‘corps de ballet’ de maatcijfers toeschreeuwde. Opdrachtgever Diaghilev was verrukt: ‘C’est un scandale!’ riep hij na afloop triomfantelijk uit. Deze eerste woedende reactie van het publiek bleef bij latere uitvoeringen uit: tot op dit moment is Stravinsky voor velen in de eerste plaats de magistrale componist van de Sacre du Printemps.

In hun boek over Stravinsky (Het Apollinisch uurwerk, 1983) beschrijven Louis Andriessen en Elmer Schönberger de eerste uitvoering (1981) van de bewerking voor 4 piano’s, die Maarten Bon maakte van de Sacre: ‘Het publiek reageerde alsof het zijn eerste Sacre hoorde. (..) hoorbaar werd weer dat de Sacre in 1913 niet alleen een nieuwe limiet in abstract-compositorisch denken bereikte, (..) maar ook een limiet in orkestrale techniek, synchroniciteit en ritmische exactheid. Een gelijke inzet van vier pianisten is, omdat hij veel moeilijker realiseerbaar is, veel gelijker dan een gelijke orkestinzet, die zelfs als hij niet gelijk is nog gelijk klinkt. (gelijk : tegelijk, synchroon. RS). (…) Een oorspronkelijk effect werd hersteld (…) al bleef een schandaal ditmaal uit.’

De Sacre voor 4 piano’s, bewerkt door Maarten Bon

In 1976 vatte Maarten Bon het plan op het orkestwerk de Sacre du Printemps van Igor Stravinsky te bewerken voor vier piano’s. In 1978 bracht hij het eerste deel ten gehore in de Grote Zaal van het toen bijna voltooide Muziekcentrum Vredenburg te Utrecht. De pianisten waren naast Maarten Bon zelf zijn zus Marja Bon, Ronald Brautigam en Gerrit Hommerson. De wereldpremière van de complete bewerking vond plaats in 1981, in het Concertgebouw te Amsterdam als het sluitstuk van de roemruchte ‘Nacht van Andriessen’. Het was een daverend succes.

Een pikant aspect aan deze bewerking is, dat de componist Igor Strawinsky testamentair had bepaald dat er van het stuk geen enkele bewerking mocht worden gemaakt. Toen Robert Craft, de belangenbehartiger van de overleden componist, met medewerking van musicoloog Sytze Smit, de bewerking onder ogen kreeg en het bandje had beluisterd, was hij laaiend enthousiast. In 1990 werd de bewerking officieel erkend na een optreden van het Amsterdams PianoQuartet in het Lincoln Centre in New York. De bewerking is vele malen uitgevoerd over de hele wereld door leden van het nieuwe Amsterdam Piano Quartet met de pianisten Yoko Abe, Gerard Bouwhuis, Sepp Grotenhuis, Ellen Corver en Akira Takahashi, vaak in combinatie met bewerkingen van andere orkestwerken die Maarten Bon maakte, zoals Petrouchka van Stravinsky, Yeux van Debussy en de Tweede Symfonie van Vermeulen. Voordat Maarten Bon in 2003 overleed, had hij testamentair laten vastleggen dat hij het exclusieve uitvoeringsrecht dat had verkregen van de uitgeverij Boosey & Hawkes en de erven-Stravinsky zou overdragen aan zijn zoon Jasper zodat die het met een nieuw pianokwartet zou kunnen uitvoeren.

Maarten Bon over zijn eigen bewerking

“Ik moet een jaar of vijftien geweest zijn toen ik de ‘Sacre’ voor het eerst hoorde: in de tekenfilm ‘Fantasia’ van Walt Disney. Pas kortgeleden, toen ik de film terugzag, kwam ik erachter hoezeer de partituur van Stravinsky geweld was aangedaan door Walt Disney en dirigent Leopold Stokovsky: er waren enorme coupures aangebracht, de volgorde van de onderdelen was veranderd, en zelfs in de instrumentatie waren wijzigingen aangebracht! Dat neemt niet weg, dat ik destijds overweldigd was door de muziek en de bewegende beelden, die in vogelvlucht het onstaan van de aarde en van het leven daarop behandelden. Van een uitvoering door het Concertgebouw onder leiding van Eduard van Beinum schafte ik mij de 78-toerenplaten aan. In 1955 kocht ik de orkestpartituur, in 1964 de versie voor piano à quatre mains, die de componist gelijktijdig met de orkestversie gemaakt had. Vanaf dat moment voelde ik de behoefte, deze vierhandige versie vollediger te maken. Ik bediende mij daartoe om te beginnen van hetgeen Stravinsky in kleine nootjes onder en boven de partijen voor de twee pianisten had genoteerd. Muzikaal gesproken waren dat natuurlijk “Nebenstimmen”, die in belangrijkheid onmiddellijk na de ‘Hauptstimme’ kwamen. Maar ik wilde werkelijk àlle noten uit de orkestpartituur aan bod laten komen. Bij het samenstellen van speelbare partijen merkte ik al bij de Introductie van het eerste deel (‘l’Adoration de la Terre’ – De aanbidding van de Aarde), dat ik twaalf piano’s nodig zou hebben. Dat was volkomen absurd. Ik reduceerde het aantal piano’s eerst tot zes, later tot vier. Terwijl ik daaraan bezig was, las ik wat Stravinsky eens gezegd heeft over de instrumentatie van ‘Les Noces (de Bruiloft )’, en toen wist ik dat ik op de goede weg was! ” I suddenly realized that an orchestra of four piano’s would fulfill all my conditions. It would be at the same time perfectly homogeneous, perfectly impersonal and perfectly mechanical.” Voorop bij mijn bewerking stond een absolute trouw aan de noten van Stravinsky: ik heb geen enkele noot notenwaarde, geen enkel dynamisch teken veranderd; ik heb wel het een en ander moeten weglaten (tot mijn grote spijt); ik heb nooit iets toegevoegd; mijn werk werk bestond erin, zinvolle, voor de spelers interessante, eventueel moeilijke, maar niet onhandige of onspeelbare pianopartijen te maken: acht handen zouden op vier vleugels (met als onmisbaar attribuur het ‘sustaining pedal’) een qua ruimte samengebald, muzikaal begrijpelijk, welsprekend beeld moeten geven van de muziek van Stravinsky, een muziek die normaliter door 208 handen op 118 instrumenten wordt gerealiseerd!